Lamentations (Dutch)

Lamentations (Dutch)

1

1:1b.LAM.001.001De straten van Jeruzalem, eens vol met mensen, liggen er nu verlaten bij. Als een verdrietige weduwe zit zij daar eenzaam neer. Zij treurt. Die eens de koningin van de volken was, is nu een slavin.

1:2b.LAM.001.002Zij huilt de hele nacht, de tranen stromen over haar wangen. Geen van al haar gliefden (a) is er om te helpen. Die eens haar vrienden waren, hebben haar nu verraden en zijn vijanden geworden.

1:3b.LAM.001.003Waarom is Juda weggevoerd als een slaaf? Om al het kwaad dat het anderen berokkende, omdat het hen tot slaven maakte. Nu is Juda ver hier vandaan in ballingschap. Het heeft geen rust, want degenen die Juda eens vervolgde, hebben zich omgedraaid en haar verslagen.

1:4b.LAM.001.004De wegen naar Jeruzalem liggen er treurig bij. Zij zijn niet langer gevuld met blijde drommen mensen, op weg om de tempelfeesten te vieren; de stadspoorten zijn uitgestorven; haar priesters klagen en haar jonge meisjes zijn weggesleept. Zij huilt bitter.

1:5b.LAM.001.005Het gaat haar vijanden voor de wind, want de Here heeft Jeruzalem gestraft voor haar vele zonden; haar jonge kinderen zijn gevangen genomen en als slaven weggevoerd naar een ver land.

1:6b.LAM.001.006Al haar schoonheid en luister zijn verdwenen. Haar vorsten zoeken als hongerige herten naar gras; als hulpeloze dieren, te zwak om te blijven vluchten voor hun achtervolgers.

1:7b.LAM.001.007En op het dieptepunt van Jeruzalems ellende denkt zij terug aan de goede, oude tijd. Zij denkt aan alle fijne en blijde gebeurtenissen, die zij meemaakte voordat die haatdragende vijand haar neersloeg; en er was niemand die haar te hulp kon komen.

1:8b.LAM.001.008Jeruzalem heeft zwaar gezondigd; daarom is zij tot een bespotting geworden. Allen die haar eens vereerden, verachten haar nu, want zij hebben gezien hoe zij werkelijk was en hoe zij werd vernederd. Zij schaamt zich diep en verbergt haar gezicht.

1:9b.LAM.001.009Zelfs de zoom van haar kleding is bevuild en zij weigert onder ogen te zien dat de straf zeker niet zal uitblijven. Nu ligt zij in de goot en niemand helpt haar eruit. "Och HERE", roept zij, "kijk toch hoe ik lijd. De vijand heeft mij overwonnen."

1:10b.LAM.001.010Haar vijanden hebben haar leeggeplunderd en al haar waardevolle bezittingen meegenomen. Zij moest toezien hoe vreemde volken haar heilige tempel onteerden; buitenlanders die U zelfs had verboden er binnen te komen.

1:11b.LAM.001.011Haar inwoners jammeren en zoeken naar brood; zij hebben al hun bezittingen verkocht om eten te kopen en zo tenminste nog in leven te blijven. "HERE", bidt zij, "kijk eens hoe ik word veracht."

1:12b.LAM.001.012Betekent dit niets voor u die hier voorbij komt? Kijk om u heen en beoordeel of u ooit eerder zo'n verdriet heeft gezien als bij mij. Dit alles heeft de HERE mij aangedaan op de dag van Zijn vlammende toorn.

1:13b.LAM.001.013Hij stuurde vanuit de hemel vuur, dat in mijn beenderen brandt. Hij zette een valstrik op mijn pad zodat ik verschrikt terugdeinsde. Hij heeft mij ziek en eenzaam laten worden.

1:14b.LAM.001.014Hij weefde mijn zonden tot een touw, waarmee Hij het slavenjuk op mijn nek vastmaakte. Hij ontnam mij mijn kracht en leverde mij over aan mijn vijanden; ik ben hulpeloos in hun handen.

1:15b.LAM.001.015De HERE heeft al mijn machtige mannen vertrapt. Op Zijn bevel kwam een groot leger opzetten om de jongeren te vernietigen. De HERE heeft Zijn geliefde stad vertrapt, zoals men druiven in een wijnpers vertrapt.

1:16b.LAM.001.016Om al deze dingen moet ik huilen; de tranen stromen langs mijn wangen. Mijn trooster is ver weg en Hij is de enige die mij zou kunnen helpen. Mijn kinderen hebben geen toekomst, want vijanden overheersen ons.

1:17b.LAM.001.017Jeruzalem smeekt om hulp, maar niemand biedt troost. Want de HERE heeft gezegd dat haar buren haar vijanden zouden worden! En dat zij als een onreine temidden van de volken zou worden!

1:18b.LAM.001.018De HERE heeft gelijk, want wij zijn tegen Hem in opstand gekomen. Maar toch, volken rondom, luister en kijk naar mijn vertwijfeling en angst, want mijn zonen en dochters zijn als slaven weggevoerd naar verre landen.

1:19b.LAM.001.019Ik smeekte mijn bondgenoten (B) mij te helpen. Maar ook dat was valse hoop. Zij konden op geen enkele manier helpen. Ook mijn priesters en leiders konden niet helpen; zij stierven van honger, terwijl zij in de vuilnishopen op straat naar brood zochten.

1:20b.LAM.001.020Och HERE, kijk toch naar mijn wanhoop; mijn hart is gebroken en mijn ziel krimpt ineen van angst, want ik ben vreselijk opstandig geweest. In de straten wacht het zwaard mij op; thuis word ik bedreigd door honger en ziekten.

1:21b.LAM.001.021Mensen horen mijn jammerklachten wel, maar niemand kan mij troosten. Al mijn vijanden zien hoe ik lijd en zij genieten ervan. En toch zal er eens een tijd komen (want U hebt dat beloofd) dat U met hen hetzelfde zult doen als U met mij hebt gedaan.

1:22b.LAM.001.022Kijk ook naar hun zonden en geef hun dezelfde straf als U mij gaf. Ik kan alleen maar zuchten en mijn hart doet pijn.

2

2:1b.LAM.002.001Met een wolk van toorn heeft de Here Jeruzalem overschaduwd. De prachtigste stad van Israël ligt in het stof van de aarde en is op Zijn bevel uit de hemelse hoogten neergeworpen. Op de dag van Zijn vreselijke toorn kende Hij zelfs geen genade voor Zijn tempel. (A)

2:2b.LAM.002.002Zonder enig medelijden heeft de Here elk huis in Israël verwoest. In Zijn toorn heeft Hij alle versterkte muren van Jeruzalem omvergeworpen. Hij heeft het koninkrijk in het stof vernederd, samen met al zijn heersers.

2:3b.LAM.002.003Alle kracht van Israël verdwijnt als sneeuw voor de zon onder Zijn toorn. Toen de vijand aanviel, trok Hij Zijn beschermende hand terug. Als een storm van vuur raasde God door het land Israël.

2:4b.LAM.002.004Hij spande Zijn boog tegen Zijn volk alsof het Zijn vijand was. Allen die er jong en aantrekkelijk uitzagen, doodde Hij. Zijn vreselijke toorn is als vuur over hen uitgegoten.

2:5b.LAM.002.005Ja, de Here heeft Israël verslagen als een vijand. Haar forten en paleizen heeft Hij verwoest. Hij bezorgt Jeruzalem kwellende zorgen en tranen.

2:6b.LAM.002.006De HERE heeft Zijn tempel omvergegooid alsof het een hut van bladeren en takken was! Het volk kan daardoor de heilige feesten en sabbatten niet meer vieren. Koningen en priesters zijn het slachtoffer van Zijn toorn.

2:7b.LAM.002.007De Here heeft Zijn eigen altaar afgewezen, omdat Hij een afkeer heeft van de valse verering door Zijn volk. Hij heeft hun paleizen aan hun vijanden gegeven, die nu in de tempel hun overwinningskreet laten horen. Vroeger kon men daar de geluiden horen van het volk Israël tijdens de heilige feesten.

2:8b.LAM.002.008De HERE besloot Jeruzalem te verwoesten. Hij trok een lijn voor de vernietiging, waaraan niet meer was te ontkomen. Zo vielen de stadsmuren en wallen voor Hem neer.

2:9b.LAM.002.009Jeruzalems poorten zijn in elkaar gezakt. Hun sloten en grendels zijn vernield door de HERE. Haar koningen en prinsen zijn nu slaven in verre landen, zonder een tempel en zonder de heilige wet die over hen regeert. En er zijn ook geen profeten meer, die hun leiding kunnen geven.

2:10b.LAM.002.010De leiders van Jeruzalem dragen rouwkleding en zitten zwijgend op de grond. Zij gooien stof op hun hoofd, vertwijfeld en bedroefd als zij zijn. De jonge vrouwen van Jeruzalem laten beschaamd hun hoofd hangen.

2:11b.LAM.002.011Ik heb gehuild tot er geen tranen meer waren; mijn hart is gebroken en mijn geest uitgeput als ik zie wat er met mijn volk is gebeurd; babies en kleine kinderen vallen neer in de straten en sterven.

2:12b.LAM.002.012"Mamma, mamma, wij willen eten", roepen zij en zakken in elkaar tegen de verschrompelde borsten van hun moeder. Langzaam vloeit het leven uit hen weg.

2:13b.LAM.002.013Is er ooit op de wereld zo geleden? Och Jeruzalem, waarmee kan ik uw vertwijfeling vergelijken? Hoe kan ik u troosten? Want uw wond is zo diep als de zee. Wie kan u genezen?

2:14b.LAM.002.014Uw 'profeten' hebben zoveel onwaarheden verkondigd, zoveel onzin. Zij hebben niet geprobeerd u van de slavernij te redden door u op uw zonden te wijzen. Zij logen en zeiden dat alles in orde was.

2:15b.LAM.002.015Ieder die voorbijkomt, schudt spottend het hoofd en zegt: "Is dit de stad die voor de mooiste stad ter wereld moet doorgaan, die 'Vreugde van de hele aarde' wordt genoemd?"

2:16b.LAM.002.016Uw vijanden lachen u honend uit. Zij fluiten en knarsen met hun tanden en zeggen: "Uiteindelijk hebben we haar dan toch eronder gekregen! Op dit moment hebben we lang gewacht en nu is het dan zover! Met onze eigen ogen hebben wij haar nederlaag gezien."

2:17b.LAM.002.017Maar de HERE heeft dit gedaan. Precies zoals Hij ons waarschuwend had voorzegd. De vervloekingen die Hij ons lang geleden in het vooruitzicht stelde, heeft Hij nL uitgevoerd. Hij heeft Jeruzalem meedogenloos verwoest, zodat haar vijanden nu feestvieren en brallen over hun grote kracht.

2:18b.LAM.002.018Vanuit het diepst van hun hart roepen de mensen de Here om hulp. Och muren van Jeruzalem, laat uw tranen stromen als een rivier; gun uzelf geen rust en huil dag en nacht.

2:19b.LAM.002.019Sta 's nachts op en roep naar uw God. Stort uw hart als water uit voor de Here; hef uw handen naar Hem op en pleit voor uw kinderen, die in de straten neervallen van de honger.

2:20b.LAM.002.020Och HERE, denk toch aan ons! Dit is Uw eigen volk, aan wie U zulke dingen aandoet. Moeten moeders soms hun eigen kleine kinderen opeten, die zij eens op schoot hielden? Is het nodig dat priesters en profeten sterven in de tempel van de HERE?

2:21b.LAM.002.021Kijk hen eens liggen in de straten: oud en jong, jongens en meisjes, gedood door het zwaard van de vijand. U hebt hen in Uw toorn gedood, HERE; U hebt hen meedogenloos afgemaakt.

2:22b.LAM.002.022U hebt deze verwoesting opzettelijk laten plaatsvinden; op de dag van Uw toorn was er niemand, die ontsnapte of achterbleef. Mijn kinderen, voor wie ik altijd goed heb gezorgd, worden nu onder de voeten van de vijand vertrapt.

3

3:1b.LAM.003.001Ik heb de ellende gezien, die het gevolg was van Gods toorn.

3:2b.LAM.003.002Hij heeft mij in de diepste duisternis gebracht en alle licht buitengesloten.

3:3b.LAM.003.003Hij heeft Zich tegen mij gekeerd. Dag en nacht rust Zijn hand zwaar op mij.

3:4b.LAM.003.004Hij heeft mij oud gemaakt en mijn botten gebroken.

3:5b.LAM.003.005Met angst en vertwijfeling heeft Hij mij omringd.

3:6b.LAM.003.006Hij begroef mij in duistere plaatsen, net als de allang gestorvenen.

3:7b.LAM.003.007Hij heeft mij ingesloten en ik kan niet ontsnappen; met zware ketens heeft Hij mij vastgebonden.

3:8b.LAM.003.008Ook al schreeuw en huil ik uit alle macht, Hij wil niet naar mijn gebeden luisteren!

3:9b.LAM.003.009Hij heeft mij ingesloten met rondom hoge en gladde muren (A) en mijn paden heeft Hij onbegaanbaar gemaakt.

3:10b.LAM.003.010Hij loert als een beer, als een leeuw, wachtend op een gelegenheid om aan te vallen.

3:11b.LAM.003.011Hij heeft mij in de val gelokt en met Zijn klauwen verscheurd. Bloedend en eenzaam liet Hij mij achter.

3:12b.LAM.003.012Hij heeft Zijn boog gespannen en mij als doel uitgekozen;

3:13b.LAM.003.013de pijlen die Hij afschoot, drongen diep in mijn hart.

3:14b.LAM.003.014Mijn eigen landgenoten lachen mij uit; de hele dag door zingen zij hun spotliedjes.

3:15b.LAM.003.015Hij heeft mij met bitterheid gevuld en een beker met de grootste ellende te drinken gegeven.

3:16b.LAM.003.016Hij liet mij steengruis eten en brak mijn tanden; in de as en het vuil rolde Hij mij.

3:17b.LAM.003.017Och HERE, alle vrede en voorspoed zijn lang geleden verdwenen, want U hebt ze weggenomen. Ik weet niet meer wat geluk is.

3:18b.LAM.003.018Er is geen hoop meer; mijn kracht is als sneeuw voor de zon verdwenen omdat de HERE mij heeft verlaten.

3:19b.LAM.003.019Vaak denk ik aan die bitterheid en het lijden, dat U mij hebt toebedeeld!

3:20b.LAM.003.020Ik zal deze vreselijke jaren nooit meer vergeten; mijn ziel zal altijd in de diepste droefheid blijven leven.

3:21b.LAM.003.021Toch is er nog een sprankje hoop en daaraan wil ik mij vastklampen.

3:22b.LAM.003.022Dank zij de goedheid van de HERE zijn wij niet omgekomen. Hij blijft voor ons zorgen en Zijn trouw is elke dag weer nieuw.

3:24b.LAM.003.024Mijn ziel beschouwt de HERE als mijn erfdeel; daarom verwacht ik alles van Hem.

3:25b.LAM.003.025De HERE is wonderbaarlijk goed voor hen die op Hem wachten, voor wie naar Hem zoeken.

3:26b.LAM.003.026Het is goed rustig te vertrouwen en te wachten op de hulp van de HERE.

3:27b.LAM.003.027Het is goed dat een jonge man discipline wordt bijgebracht.

3:28b.LAM.003.028Hij kan rustig in eenzaamheid zitten en zwijgen als God dat van hem vraagt.

3:29b.LAM.003.029Dan kan hij ook met zijn gezicht in het stof liggen, zodat er hoop voor hem blijft bestaan.

3:30b.LAM.003.030Laat hij zijn andere wang toekeren naar hen die hem slaan en hun vreselijke beledigingen slikken,

3:31b.LAM.003.031want de Here zal hem niet voor altijd verstoten.

3:32b.LAM.003.032Ook al geeft God hem verdriet, toch zal Hij hem ook met medelijden behandelen als teken van Zijn liefdevolle zorg.

3:33b.LAM.003.033Want Hij vindt het niet prettig mensen in het nauw te drijven en verdriet te bezorgen.

3:34b.LAM.003.034Als de vernederden worden vertrapt,

3:35b.LAM.003.035men het recht dat God de mens heeft gegeven, niet in acht neemt

3:36b.LAM.003.036en de rechtzaak van de mensen wordt verdraaid, zou de Here dat dan niet zien?

3:37b.LAM.003.037Als iemand ergens over spreekt en het gebeurt dan ook, heeft de Here dat dan niet bevolen?

3:38b.LAM.003.038Van de Allerhoogste komt immers zowel het kwade als het goede?

3:39b.LAM.003.039Waarom zouden wij dan (gewone mensen als wij zijn) mopperen en klagen als wij worden gestraft voor onze zonden?

3:40b.LAM.003.040Laten wij in plaats daarvan onszelf maar eens goed onderzoeken, onze schuld bekennen en terugkeren naar de HERE.

3:41b.LAM.003.041Laten we onze harten en handen opheffen naar God in de hemel.

3:42b.LAM.003.042En laten wij toegeven dat we hebben gezondigd. Wij zijn in opstand gekomen tegen de HERE en dat heeft Hij niet vergeten.

3:43b.LAM.003.043U bent vervuld van toorn, HERE, en U hebt ons meedogenloos geslagen.

3:44b.LAM.003.044U hebt Uzelf met een wolk afgesloten, zodat onze gebeden U niet kunnen bereiken.

3:45b.LAM.003.045U hebt ons gemaakt als paria's en uitschot onder de volken.

3:46b.LAM.003.046Onze vijanden hebben dreigende taal tegen ons gesproken.

3:47b.LAM.003.047Wij zijn bang, want wij zitten in de val; verlaten en vernietigd zijn wij.

3:48b.LAM.003.048Dag en nacht moet ik huilen, omdat de meisjes van mijn volk vernederd zijn.

3:49b.LAM.003.049Ik huil onophoudelijk;

3:50b.LAM.003.050wanneer zal de HERE vanuit de hemel weer naar ons omzien?

3:51b.LAM.003.051Mijn hart breekt als ik zie wat er met de jonge meisjes uit Jeruzalem gebeurt.

3:52b.LAM.003.052Mijn vijanden (die ik nooit kwaad heb gedaan) joegen achter mij aan alsof ik een vogel was.

3:53b.LAM.003.053Zij gooiden mij in een waterput en bekogelden mij daarna met stenen.

3:54b.LAM.003.054Het water reikte tot boven mijn hoofd en ik dacht dat mijn laatste uur had geslagen.

3:55b.LAM.003.055Maar vanuit die diepe waterput riep ik Uw naam aan, HERE,

3:56b.LAM.003.056en U luisterde naar mij! U hoorde mijn smeekbeden en zag mijn tranen!

3:57b.LAM.003.057Ja, U kwam toen ik vertwijfeld schreeuwde en U zei mij dat ik niet bang hoefde te zijn.

3:58b.LAM.003.058Here, U bent mijn raadsman! Verdedig mijn zaak! Want U hebt mijn leven verlost.

3:59b.LAM.003.059U hebt gezien wat een onrecht zij mij aandeden; wees mijn rechter om mijn gelijk te bewijzen.

3:60b.LAM.003.060U hebt gezien welke valse plannen mijn vijanden tegen mij smeedden.

3:61b.LAM.003.061U hebt gehoord hoe zij mij beledigden, HERE,

3:62b.LAM.003.062hoe zij over mij roddelden en fluisterend hun plannen beraamden.

3:63b.LAM.003.063Kijk eens hoe zij lachen en zingen en mij in hun lied belachelijk maken.

3:64b.LAM.003.064Och HERE, vergeldt U al het kwaad dat zij mij hebben aangedaan.

3:65b.LAM.003.065Verhard hun harten en vervloek hen, HERE.

3:66b.LAM.003.066Zet een felle achtervolging op hen in en vaag hen weg onder de hemel van de HERE.

4

4:1b.LAM.004.001Het beste goud heeft zijn glans verloren en is dof geworden! De prachtig bewerkte tempelmuren liggen verbrijzeld in de straten!

4:2b.LAM.004.002De jongeren van Jeruzalem (ieder hun gewicht in goud waard) zijn behandeld als aardewerken potten, als het werk van mensenhanden!

4:3b.LAM.004.003Zelfs de jakhalzen voeden hun jongen, maar mijn volk Israël doet dat niet. Zij lijken op wrede struisvogels uit de woestijn, die geen acht slaan op de kreten van hun jongen.

4:4b.LAM.004.004De tongen van de babies plakken aan hun gehemelte, want er is geen druppel water overgebleven. Kinderen schreeuwen om brood, maar niemand kan hun iets geven.

4:5b.LAM.004.005Mensen die vroeger lekkernijen aten, zitten nu op straat te bedelen om maar iets te kunnen eten. Zij die in paleizen werden grootgebracht, grabbelen nu in de vuilnis op zoek naar voedsel.

4:6b.LAM.004.006Want de zonde van mijn volk is groter dan die van Sodom, waar zich in één ogenblik een vreselijke ramp voltrok, waaraan geen mensenhand te pas kwam.

4:7b.LAM.004.007Onze prinsen waren groot en slank, de mooiste mannen die er waren. (A)

4:8b.LAM.004.008Maar nu zijn hun gezichten zo zwart als roet. Niemand herkent hen nog. Hun huid kleeft aan hun botten: hard, droog en verweerd.

4:9b.LAM.004.009Die met het zwaard werden gedood, zijn beter af dan zij die een langzame hongerdood moeten sterven.

4:10b.LAM.004.010Gevoelige vrouwen hebben zelfs hun eigen kinderen gekookt en opgegeten; op die manier overleefden zij het beleg.

4:11b.LAM.004.011Met volle kracht heeft de HERE Zijn toorn laten woeden; al Zijn toorn kwam tot ontlading. Hij stak een vuur aan in Jeruzalem, dat de stad tot op haar fundamenten in de as legde.

4:12b.LAM.004.012Geen koning ter wereld (geen enkel volk op aarde) zou hebben geloofd dat een vijand door de poorten van Jeruzalem naar binnen kon marcheren!

4:13b.LAM.004.013Maar toch stond God dit toe vanwege de zonden van haar profeten en priesters, die de stad ontheiligden door onschuldig bloed te vergieten.

4:14b.LAM.004.014Nu wankelen deze zelfde mannen als blinden door de straten, besmeurd met bloed zodat niemand hen durfde aan te raken.

4:15b.LAM.004.015"Maak dat je wegkomt", roepen de mensen hen toe. "Jullie zijn onrein! Ga weg. Raak ons niet aan!" Zij vluchten naar andere landen en dwalen daar tussen de buitenlanders; maar niemand zal hun toestaan te blijven.

4:16b.LAM.004.016De HERE heeft hen zover verspreid; Hij helpt hen niet langer, want zij onderdrukten de priesters en leiders die trouw bleven aan God.

4:17b.LAM.004.017Wij kijken uit of onze bondgenoten al in aantocht zijn om ons te helpen, maar tevergeefs. Het volk waarop wij het meest rekenden voor hulp, doet helemaal niets.

4:18b.LAM.004.018Als wij op straat komen, begeven wij ons in levensgevaar. Ons einde is nabij, onze dagen zijn geteld.

4:19b.LAM.004.019Onze achtervolgers zijn sneller dan arenden; ook al vluchten wij de bergen in, dan vinden zij ons nog. Als wij ons in de wildernis willen verbergen, staan zij ons daar op te wachten.

4:20b.LAM.004.020Onze koning (de adem van ons volksleven, de gezalfde van de HERE) werd in hun valstrikken gevangen. Ja, zelfs onze machtige koning, van wie wij dachten dat wij onder zijn leiding rustig temidden van de volken zouden kunnen leven!

4:21b.LAM.004.021Volk van Edom, vier uw feest in het land van Uz. Ook L zult kennismaken met de vreselijke toorn van de HERE.

4:22b.LAM.004.022Eens zal een einde komen aan de ballingschap, de straf die Israël om haar zonden kreeg opgelegd, maar de zonden van Edom zullen worden blootgelegd en de HERE zal dit volk oordelen.

5

5:1b.LAM.005.001Och HERE, denk aan alles wat ons is overkomen; kijk eens naar de ellende waaronder wij gebukt gaan!

5:2b.LAM.005.002Onze huizen en ons land zijn in bezit genomen door buitenlanders.

5:3b.LAM.005.003Wij zijn wezen; onze vaders zijn dood en onze moeders zijn weduwen.

5:4b.LAM.005.004Wij moeten zelfs betalen voor ons drinkwater; hout wordt ons tegen de hoogst mogelijke prijzen verkocht.

5:5b.LAM.005.005Wij buigen onze nek onder de voet van de overwinnaar; zonder ons rust te gunnen, laten zij ons zwoegen.

5:6b.LAM.005.006Wij smeken Egypte en Assyrië om brood.

5:7b.LAM.005.007Onze voorouders zondigden, maar stierven voordat de oordelende hand zijn werk begon. Wij dragen nu de straf die zij verdienden!

5:8b.LAM.005.008Onze vroegere dienaars zijn ons nu de baas geworden; er is niemand overgebleven die ons kan redden.

5:9b.LAM.005.009Wij gaan de woestijn in om voedsel te zoeken, maar daarbij lopen wij het risico door de vijand te worden gedood.

5:10b.LAM.005.010Onze huid voelt heet aan, we hebben koorts door de honger.

5:11b.LAM.005.011Zij verkrachten de vrouwen van Jeruzalem en de meisjes in de steden van Juda.

5:12b.LAM.005.012Onze prinsen hebben zij opgehangen en zelfs bejaarde mannen worden met minachting behandeld.

5:13b.LAM.005.013Zij nemen jonge mannen mee om hun koren te malen en de kleine kinderen wankelen onder de zware lasten die zij moeten dragen.

5:14b.LAM.005.014De oude mannen zitten niet meer in de stadspoorten; de jongeren dansen en zingen niet meer.

5:15b.LAM.005.015De vreugde in onze harten is gedoofd; ons dansen is veranderd in rouwen.

5:16b.LAM.005.016Onze glorie is vergaan. De kroon is van ons hoofd gevallen. Dat overkomt ons allemaal vanwege onze zonden.

5:17b.LAM.005.017Onze harten zijn zwak en droevig; de schittering is uit onze ogen verdwenen.

5:18b.LAM.005.018Jeruzalem en de tempel van de HERE zijn verwoest en liggen er verlaten bij. Alleen de vossen dwalen er in rond.

5:19b.LAM.005.019Och HERE, U blijft voor altijd dezelfde! Uw troon staat vast van generatie op generatie.

5:20b.LAM.005.020Waarom vergeet U ons nog steeds? Waarom keert U ons zo lang Uw rug toe?

5:21b.LAM.005.021Bewerk in ons hart een ommekeer en breng ons weer bij U terug! Dat is onze enige hoop! Geef ons onze vroegere vreugden weer terug!

5:22b.LAM.005.022Of hebt U ons voorgoed afgewezen? Is Uw toorn nog altijd tegen ons gericht?


Holder of rights
Multilingual Bible Corpus

Citation Suggestion for this Object
TextGrid Repository (2025). Dutch Collection. Lamentations (Dutch). Lamentations (Dutch). Multilingual Parallel Bible Corpus. Multilingual Bible Corpus. https://hdl.handle.net/21.11113/0000-0016-93CA-E